Mijn Verhaal


Vandaag, 14 Juli 2011, begin ik dit verhaal.

Het is exact 51 jaar geleden dat ik in België terugkwam na zes avontuurlijke jaren ,met mijn vader en soms alléén, in het immens en mooi afrikaans land genaamd RDC, République Démocratique du Congo, in betere tijden was het Belgisch Congo.

Ik kwam ginder aan via een vlucht Brussel-Parijs met een Convair toestel en dan in een DC 4 van de vroegere maatschappij UAT van Parijs naar Algiers, dan Douala, Pointe-Noire en aankomst in Brazzaville.

Dan de ferry genomen en de oversteek van de Congostroom naar Leopoldstad (Kinshasa).

Deze ferry is onvergetelijk voor de jonge knaap van toen, ik was 13 jaar, de stroom is daar meerdere kilometers breed aan de Stanleypool, het blijft in mijn geheugen gegrift.

Zes jaren ben ik daar in Congo gebleven, zes jaren uit mijn jeugd en deze blijven voor mij een van de mooiste delen van mijn leven.

In Juli 1960 hielden wij het restaurant bar night-club van de Zoo van Stanleystad (Kisangani) aan de Tshopo open. Daar wij daar heel afgezonderd waren, buiten de stad, was dit een goed mikpunt voor de soldaten die geleidelijk in opstand kwamen omdat zij nog nauwelijks betaald werden. Zij kwamen bij ons bier eisen, gratis uiteraard en in het begin vrij...vriendelijk maar dag na dag meer en meer dreigend, mitraljet in de hand. Daarom besloten wij te vluchten en naar de Sabena Guest-House te rijden, aan het Simi-Simi vliegveld, dit op 12 juli 1960, volle snelheid en 's nachts om niet tegengehouden te

worden onderweg. Er waren al vrij veel Belgen daar, nog mensen die Stanleystad en omstreken ontvlucht waren maar er was geen enkel vliegtuig om ons weg te evacueren.

De avond van 13 juli landde Patrice Lumumba aan boord van een C130 van het Amerikaans leger en na oneindige discussies, zowel met de piloten als met Lumumba zelf, mochten wij in dat toestel en vlogen wij naar Leopoldstad (Kinshasa) en vandaar werden wij via Kano in Nigeria met een nog zwaarder viermotorig legertoestel naar Zaventem gevlogen.

Wij zijn prachtig ontvangen op Zaventem, warme kleren, een beetje zakgeld om het openbaar vervoer te kunnen betalen, zelfs eten.

Nog veel dank aan het Rode-Kruis.

Wat een geluk want wij hadden niets, onze instrumenten waren in Stan in de zoo gebleven, wij droegen een short en een licht hemd, het was slecht weer en een mantel kwam prima van pas.

Mijn terugkeer naar België deed mij beslissen om meteen mijn legerdienst te doen, één jaar waarvan drie maanden in de Kazerne Baron Michel te Mechelen en zes maanden in Weiden bij Keulen, dan nog drie maanden bij de radar in Dellbruck, ook een randgemeente van Keulen. Heel mijn legerdienst in het frans gedaan daar ik eigenlijk Franstalig ben en toen ook in Brussel ingeschreven was.

Nadien ben ik radio technieker geworden en dit evolueerde na enkele jaren tot radio en televisie technieker.

In 1964 -, ik werd het leven in België niet gewoon -, ben ik naar de Verenigde Staten gevlogen, dicht bij New-York als technieker bij Lafayette Radio Electronics, op Long Island. Het werd een uitstekende ervaring wat betreft het werk maar zeker niet het dagelijks leven ginder. De Amerikaanse mentaliteit ging mij niet af en ik nam het besluit om toch terug naar België te keren in januari 65. Ik mocht terug beginnen bij mijn vorige werkgever, wat een goede man deze mijnheer Dehing, in Antwerpen.

Oh ja, technieker... hoe komt het ?

Reeds in Congo toen ik nog bij mijn vader was trokken versterkers en aansluitingen, radio's en electronica mij aan. Ik mocht steeds de

versterkers van het orkest aansluiten, de verlichting installeren en aansluiten.

Toen ik mijn drie dagen moest doen in het Klein Kasteeltje in Brussel, samen met een grote groep dat juist uit Congo terugwas, heb ik tijdens het interview aan een luitenant gevraagd om iets te mogen doen waar ik kon leren voor later, wetende dat mijn schoolresultaten vrij laag waren.

De goede man heeft mij bij de TTR (transmissietroepen) ingelijfd en ik moest voor drie maanden naar Mechelen om de basis van de zenders/ontvangers van het Belgisch leger te leren, alsook morse. Daar ik prima resultaten behaalde werd ik na die drie maanden naar Duitsland overgebracht waar ik als enige milicien met de beroepssoldaten als marconist mocht werken met de zware zenders/ontvangers van Weiden. Wij hadden verbindingen met Brussel maar ook nog met Congo. Dit bracht mee dat mijn interesse voor electronica nog meer groeide en ik begon aan een schriftelijke cursus (Eurelec) om technieker te worden. Deze cursus werd beëindigd drie maanden na mijn demobilisatie en dankzij deze cursus vond ik onmiddellijk werk in Antwerpen bij de firma Dehing in de Diepestraat. Nadien telde slechts mijn ervaring wanneer ik van werk veranderde.

In 1964, zoals ik reeds schreef, vol met avonturiersgeest, ben ik dan naar de Verenigde Staten vertrokken, overtuigd dat het leven in het land van de zogezegd duizend en één mogelijkheden een ware droom zou zijn.

Vertrek uit Luxemburg met een DC 6 van Icelandic Airlines, tussenstop in Keflavik in Ijsland, dan Gander in Newfoundland en dan New-York.

Een job werd snel gevonden bij Lafayette Radio Electronics in Syosset Long-Island. Philips Norelco had mij een paar dagen later geantwoord, ik mocht daar ook beginnen maar het was te laat anders had ik hen gekozen, gezien mijn Philips ervaring.

Wij werkten met 15 techniekers bij Lafayette, de meesten waren buitenlanders, immigranten zoals ik en wij waren graag gezien door de directie. Ik had een mooi salaris en de mogelijkheden op het werk waren uitstekend.

Maar... het leven in de omgeving van New-York stond mij niet aan,

zeker na mijn jaren Congo. Zelfs de Amerikaanse collega's vertelden mij dat ik het veel leuker zou vinden in het westen zoals Californië. Op Kerstavond 1964, vol heimwee, besliste ik mijn wagen te verkopen en een ticket naar huis te kopen. New-York, Ijsland, Luxemburg.

In januari 65 was ik terug bij mijn vorige baas die gelukkig was mij terug te zien, des te meer dat ik een berg schema's bij had van Lafayette, een merk dat hij ook verkocht.

Maar ik dwaal af, beter verder vertellen over België.

Het leven gaat verder, ik trouwde op 4 mei 1966 en kreeg twee kinderen, mijn dochter Fabienne van 67 en mijn zoon Christian van 69.

Wij woonden ten noorden van Antwerpen in Brecht met ons huis op een lapje grond van ongeveer 1000 vierkante meters. Dit perceel groeide jaar na jaar dankzij afzonderlijke aankopen van naastgelegen percelen tot een oppervlakte van 15.000 vierkante meters. Ideaal voor onze paarden, kippen, soms een varkentje en nog andere beestjes. Spijtig genoeg werden wij onteigend voor de hogesnelheidslijn naar Amsterdam en moesten wij in juli 2000 verhuizen naar het huis dat wij in Merksplas op de kop getikt hadden. Nu leeft mijn dochter daar en kan zij daar ook haar paarden houden.

Met pensioen sedert januari 2002 ben ik part-time bij mijn werkgever Teleabonnée te Kapellen blijven werken tot in januari 2009 ik stopte op mijn 68e verjaardag.

Mijn echtgenote en moeder van mijn kinderen is in 2007 overleden wegens darmkanker, een jaar nadien heb ik kennis gemaakt met Monique Vachaudez en nu leven wij in Dour (Henegouwen)

Mijn dochter Fabienne Beguin woont te Merksplas.

Mijn zoon Christian woont te Westmalle en is getrouwd met Sonja Goetschalckx. Zij hebben een zoon, mijn kleinzoon dus, Ian Beguin geboren in 2001 in Wilrijk.

Ik ontmoette Monique Vachaudez tijdens een feestje dat mijn ex-

schoonzuster gaf voor haar verjaardag in 2008 in Saint Ghislain bij Mons (Bergen). Monique was weduwe zoals ik maar al langer. Wij hebben kennisgemaakt, zoals ik surfte zij regelmatig op Internet en ik gaf haar mijn mail adres alsook de weg naar mijn internet site www.alain-beguin.be en daardoor bleven wij in contact via mail en MSN.

Op een dag haalde ik al mijn moed bijeen en reed ik naar Boussu waar zij toen woonde met de vraag of zij zo lief zou willen zijn om bij mij in Merksplas te komen wonen... zware vergissing want s'anderendaags 's morgens kreeg ik reeds een telefoon dat het gedaan was, niet meer aan denken, afgelopen voor het begonnen was.

Goed, ik had een reis voorzien naar Kreta om mijn zusje Viviane te gaan bezoeken die ik niet meer gezien had sedert de jaren 70. Ik bleef via het Net in contact met Monique want wij bleven... vrienden.

Het Net was heel heilzaam voor onze relatie en na mijn terugkeer uit Kreta ben ik haar gaan bezoeken en oh mirakel, ik kon ze toch overtuigen om in Vlaanderen te komen wonen.

Enkele maanden nadien kwam zij mij vervoegen na veel reizen van 340 km over en weer om haar zelf te verhuizen.

Het was zeer moeilijk in Merksplas voor Monique, zij was vroeger steeds heel dicht bij haar familie, had steeds een regelmatig leven geleid, niet zoals ik in Congo langs alle kanten verhuisd en avontuur na avontuur beleefd. Bovendien sprak zij geen Nederlands, dit alles maakt dat zij het niet gewoon werd, zij vond dat zij in het buitenland woonde.

Zij naderde een zenuwinzinking en er moest iets gebeuren om onze relatie te redden.

Daar mijn echtgenote gewenst had dat het huis naar mijn dochter zou gaan heb ik alle schikkingen getroffen voor mijn kinderen langs de notaris zodanig dat niemand misdeeld zou worden. Het was niet simpel maar het is mij toch gelukt.

Mijn dochter het huis en mijn zoon een groot stuk grond, het stuk dat de spoorwegen niet onteigend hadden en dat ondertussen verblijfsrecreatiezone geworden was, goed om te wonen dus.

Het huis van onze dromen werd spoedig gevonden in Dour, een stille straat en een mooie hof. Nu hebben wij de verhuis aan een firma toevertrouwd, het was genoeg geweest, mijn meubelen moesten ook mee, niet meer te doen met een camionette.

Dour, bekend van het festival, is een vrij stil dorp, dicht bij Mons en Quiévrain, ook dicht bij de franse grens wat toelaat om daar inkopen te doen, het is daar algemeen goedkoper dan bij ons.

Monique is nu dicht bij haar broer en zusters alsook haar zoon en zij gaat veel beter. Zij heeft veel vriendinnen hier, kan ze steeds zien. Wij profiteren van het leven en zijn heel gelukkig samen.

Gans mijn leven heb ik Congo willen terugzien, land dat ik zo goed gekend had maar het bleek nooit mogelijk, zeker wat betreft de veiligheid, er zijn zoveel oorlogen en opstanden geweest dat het niet te doen was en enkel een droom kon blijven.

Om dit verhaal beter te doen begrijpen moet ik eerst enkele van mijn levensjaren vertellen.

Mijn vader Marcel Beguin (muzikant, artistennaam Mickey Bunner), welbekend in België tussen de jaren 45/53 dank zij enkele Big-Bands door hem gevormd en geleid, vertrok naar Congo in 1953 met op zak een contract voor de Sabena om in de Guest-Houses aldaar muziek te spelen. Hij vertrok met zijn tweede echtgenote Marion en hun dochtertje Viviane, mijn half zuster, geboren 21 september 1950 in Molenbeek.

Mijn vader is van mijn moeder gescheiden kort na de oorlog, ik werd geboren op 29 januari 1941.

Mijn moeder, Suzanne Vanhecke, dochter van een commandant van het Belgisch leger, Siegfried Vanhecke, was veel te jong om in haar thuisomgeving te bevallen en zij ging dus naar Ukkel om mij in alle stilte ter wereld te brengen.

Ik ben maandenlang in Ukkel gebleven tot mijn grootmoeder langs vaderskant het zo moe werd en zij mij is komen halen en bij haar naar Antwerpen gebracht heeft.

Ik was heel erg ziek, maar, goed verzorgd begon ik snel op te fleuren.

Moeder is nooit hertrouwd, zij heeft op verschillende plaatsen gewerkt in de wereld, waaronder een jaar in Kinshasa.

Zij werkte voor Buitenlandse Zaken als secretaresse in Warschau gedurende de jaren 70. Een tweede kanker aanval genoodzaakte haar om naar een gespecialiseerde kliniek te reizen in Londen maar ongelukkiglijk is zij daar overleden na een moeilijke operatie. Ik had ze nog enkele maanden voordien thuis ontvangen in Brecht en heb ze zelfs in de kliniek in Londen gezien de dag voor haar overlijden.

Eigenaardig, na haar overlijden heb ik nog een klad gevonden van een brief naar de paus waarin zij om een annulering van haar huwelijk met mijn vader vraagt wegens...niet geconsumeerd. Beter lachen met zoiets, ik vraag mij af of zij dit ooit echt verstuurd heeft.

Ik werd geregistreerd te Ukkel en gedoopt onder de naam Alain Vanhecke, naam van mijn moeder, mijn vader was daar niet op dat ogenblik. Het is maar veel later dat ik erkend werd en de naam Beguin kreeg.

Mijn grootouders hadden de mooiste stoffenwinkel van Antwerpen en wensten dat ik bij hen bleef. Na een tijd ging ik soms naar mijn moeder in Elsdonk en dan ook bij mijn vader wanneer hij in België was en soms ook in een vakantiekolonie aan zee, in de zomer.

Mijn grootvader Vanhecke wou steeds dat ik hem "mon commandant" noemde, iets wat hem nooit gelukt is ondanks vele ruzies en bedreigingen.

Nooit heb ik mij daar thuis gevoeld, zij haatten mijn vader en hebben het mij goed laten voelen, zelfs nu schrijft de broer van mijn moeder mij dat hij "haïssable" (hatelijk) was.

Van de oorlog weet ik niet veel meer, uitgezonderd de V1 en V2 waarvan er één in de buurt van onze winkel viel en al onze grote etalageramen in splinters vielen. Alles moest afgesloten worden met grote triplex panelen.

Wij leefden toen in de kelder, waarschijnlijk na de bevrijding maar de V1 en V2 bleven maar afkomen.

Toen het eindelijk kalmer werd zie ik nog een heel groot veld in Wilrijk waar alle voertuigen van het Amerikaans leger geparkeerd waren, tanks, jeeps enz. Op een dag zijn zij allemaal vertrokken, een lange sliert, recht naar de haven om naar Amerika verscheept te worden. Dat veld was aan de Prins Boudewijn laan in Wilrijk, aan de spoorweg van de Juul Moretuslei. Nu is dat helemaal volgebouwd.

Kort na de oorlog heb ik nog de tweetalige straatnaamborden zien verwijderen en vervangen door nederlandstalige. (ongeveer 1949 ?) Schuttershofstrrat was de rue du jardin des Arbalétriers, Huidevettersstraat was rue des Tanneurs, Komedieplein was de Place de la Comédie.

In de haven zag men veel Natiepaarden met hun zware slede over de kasseien, de melkboer, de brouwer, de bakker, allen werkten nog met paarden. Huisvuil werd met een ouderwetse tractor opgehaald met een remorque.

Scholen, ik heb er gekend, veel, zowel in België als in Congo.

Laat ons beginnen met de kleuterschool wanneer ik bij mijn... oom Fernand Beguin woonde, de broer van mijn vader, in Brussel, ongeveer 1946. Dan het pensionaat "Les Abeilles" in Mortsel dicht bij Antwerpen, voor mijn twee eerste lagere schooljaren.

Dan Blankenberge voor het derde jaar, ineens in het ... Nederlands, ik weet nog dat ik daar "gi" moest zeggen van de meester, in plaats van "gij" of "jij"...

Ondanks dat, niets beter om beide landstalen te leren.

Nu zijn wij in 1950, mijn vader had een café overgenomen in Blankenberge, "La Cléf de Sol" in de Bakkersstraat, nu is dat een planten en bloemenwinkel.

Vader dronk dikwijls te veel en dan werd hij brutaal en jaloers en maakte ons leven onmogelijk. Op een dag rond 1951 had ik er echt genoeg van, ik was juist 10 jaar en ben weggelopen en met het weinige geld dat ik had heb ik mij een treinticket gekocht in het station van Blankenberge en ben naar Antwerpen gereisd naar mijn grootouders waar ik zo graag verbleef.

Na onderhoud met mijn ouders hebben zij mij in een school in de

buurt ingeschreven (Louizastraat) en ik bleef bij mijn grootouders wonen.

Ondertussen zijn wij in 1953 en mijn vader vertrekt naar Congo met zijn Sabena contract, na enkele maanden in Turkije gewerkt te hebben, zijn café van Blankenberge was dicht wegens...slechte afloop.

Het normaal familieleven was er niet en ik miste het enorm, het is aan mijn schooluitslagen te zien en ik moet mijn vijfde leerjaar herdoen. Weer overleg en ik word in het Sint Jozefcollege te Turnhout ingeschreven, als intern. Ik beëindig daar mijn lagere school met heel goede resultaten. Mijn plechtige communie heb ik daar ook gedaan.

Het internaat was heel duur en na nog een overleg tijdens het verlof 1954 wordt er beslist dat ik naar Congo ga, naar mijn vader. Goede oplossing voor sommigen maar ik heb daar geen seconde spijt van, zelfs na alles wat daar gebeurd is, de kans om Afrika van heel dichtbij te kunnen zien, dat is enig.

Om de lijst van de scholen te kunnen afsluiten geef ik hier ineens alles van 1954 tot 1957 ;

1954/55 Extern in Koninklijk Atheneeum Leopoldstad in het Nederlands, uitslag : blijven zitten.

1955/56 idem maar in het Frans en ook in Atheneeum van Lubumbashi (Elisabethstad) deels intern en ook Atheneeum van Bujumbura (Usumbura) extern. Uitslag ; geslaagd.

Vader heeft (weer) problemen met zijn tweede echtgenote Marion en wij vertrekken zonder haar en zonder mijn zuster naar Kisangani (Stanleystad) langs de weg en ik word ingeschreven in het Atheneeum aldaar voor het schooljaar 1956/57, met voor mij zeer slechte uitslagen, het leven thuis was absoluut onmogelijk geworden en mijn vader liet mij voor drie maanden alléén terwijl hij naar Kinshasa gevlogen was met zijn vliegtuig om het te laten renoveren en schilderen. Ik had nauwelijks geld om mijn plan te trekken, als jonge gast van 16 jaar is zo studeren niet evident. Dit werd dan mijn laatste schooljaar, wat deze lijst afsluit.

Terug naar 1954, Léopoldstad, vader werkte als muzikant in de Mi- Ré-Do en wij woonden daar rechtover, Tombeur de Tabora laan (avenue Tombalbaye nu). Zijn contract met Sabena was afgelopen en daardoor veranderde hij vrij dikwijls van werkomgeving. Alzo heb ik veel kunnen zien van deze grote stad die nu in 2011 acht miljoen inwoners telt.

Daar vader ook privaat piloot was heb ik dikwijls met hem meegevlogen met Pipers, Cub, Cruiser, Pacer, Tripacer, Apache enz. Hij heeft mij in de luchtvaart ingewijd en het is mede daardoor dat ik gelost ben als piloot in Brasschaat op 15 april 1973 na slechts zeven uur dubbele besturing, eindelijk solo !

Door het vliegen met mijn vader heb ik veel van de mooie plaatsen gezien in Congo, de Congostroom, de watervallen van Zongo, de plage van Gombe tussen Leo en Matadi, later het Tanganyikameer, Goma, de vulkanen en nog veel meer.

Aan de plage van Gombe gingen wij ook zwemmen, maar daar was het hard opletten, de stroming was enorm.

Wij reden ook naar Thijsville, Matadi en soms vlogen wij naar Brazzaville aan de overkant van de stroom voor een of andere luchtvaart rally.

De vetes waren frequent thuis en het spreekt ook vanzelf dat de studies, zoals hoger beschreven, daar onder leden. Des te meer dat ik voor de schattige kleine Viviane mee moest zorgen want haar moeder Marion speelde 's nachts ook muziek samen met mijn vader. De kleine moest aangekleed worden,naar de schoolbus brengen enz enz.

Gelukkig hadden wij nog een boy, hij zorgde voor de keuken en van tijd tot tijd kwam er een "mama" om voor Viviane te helpen en ook de was te doen.

Wij hebben nog in het Regina hotel gewoond, het is nu volledig afgebroken en er staat reeds een nieuwe in de ruwbouw, boulevard du 30 juin (vroeger blvd Albert). Daar woonden wij systeem 'kost en inwoon' en het was echt het "hotelleven", ik werd steeds gediend, moest niets zelf doen, een soort luxe maar weeral echt geen familieleven.

Deze "luxe" is de oorzaak dat ik thuis niet echt veel kan, koken zeker niet of heel weinig, de hof is ook mijn ding niet, behalve het gras afrijden...

Daarentegen, wat mijn werk betreft, later, kan ik verzekeren dat ik hard gewerkt heb...zeker omdat ik de electronica zo graag had, ook electriciteit en nu zeker de computers sedert de jaren negentig.

In 1956 vertrokken wij met de wagen, een Opel Rekord 1954 décapotable naar Elisabethville (Lubumbashi), een mooi avontuur voor die jaren, gelukkig dat de wegen toen goed onderhouden werden, nu is het wat anders. Nochtans, in het regenseizoen werden de wegen ook verschrikkelijk slecht en soms moest men veel gas geven om toch door de modder (potopot) te geraken. Léopoldstad-Popokabaka-Kikwit-Luluabourg-Kamina-Kolwezi- Jadotville-Elizabethstad en het nam ons een goede maand daar mijn vader muziek speelde in verschillende steden en dorpen onderweg, dit bracht een centje meer op.

Wij sliepen in Missies waar wij steeds door de paters steeds hartelijk ontvangen werden, soms ook bij de goede zusters.

Op een avond belandden wij bij een klooster van Portugese zusters die, toen wij binnenkwamen snel naar beneden liepen om deze twee vreemde mannen te zien...

Op een keer, onderweg, mijn vader had weer zijn crisis en werden Marion en mijn zusterke uit de wagen gezet, in volle wildernis. Hij deed ze uitstappen maar tot zijn grote verbazing stapte ik mee uit want ik wou Marion, die een moeder was voor mij, en mijn zusje van vijf jaar niet missen. Het spreekt vanzelf dat hij na een half uur terugkeerde en ons terug liet instappen, hij was wat afgekoeld. Er was niets, helemaal niets op 100 kilometers in het rond... herinneringen herinneringen.

Van Elizabethstad (Lubumbashi) kan ik niet veel vertellen daar ik enkele maanden op het internaat van het Atheneeum vertoefde. Soms, wanneer het verlof was, mocht ik naar de Lac aux Dames (lac Tshombe, aan de bekende mine de l'étoile) bij vrienden van mijn ouders, daar kon men zwemmen, waterskieën, bootjesvaren enz.

Vader werkte met Marion in de club « La nouvelle équipe » bij Julien (Lucien?) Brees en het is daar dat ik op een zondag mijn 15 jaar heb mogen vieren. Ik kreeg een mooi boek «De graaf van Monte- Christo», boek dat op mij een grote indruk maakte.

Het atheneeum beviel mij best, vooral het regelmatig leven en de mogelijkheid deftig te studeren onder toezicht, ideaal.

Waarom was ik een goed leerling toen ik intern was ?

Wij verlaten Lubumbashi in 1956 naar Usumbura (Bujumbura) via Jadotville (Likasi) en onderweg konden wij de prachtige watervallen van de Kiubo zien, wat een mooi schouwspel, een van de mooiste van heel het land. Nadien Manono, Albertville (Kalemie),Fizi, Uvira en eindelijk Usumbura waar mijn vader een contract had bekomen in de Grand Hotel, de baas was Victor Zaccas, een Griek.

Vader had veel succes, hij zong in de stijl van Frank Sinatra, speelde piano, trombone, bass en drums alsook vibrafoon en hij was een prima arrangeur. Goede showman die zijn publiek een hele avond kon boeien met zijn sketches en imitaties.

In Bujumbura vloog mijn vader ook, hij nam mij dikwijls mee om het Tanganyikameer te verkennen en ook de bergen in de omgeving. Ondertussen kon ik al autorijden maar op 15 jaar mocht het niet (17 jaar in Belgisch Congo en na een examen théorie en praktijk, wat toen in België nog niet eens bestond) maar ik reed toch, bijna alle dagen, zoals een grote. Later ben ik wel eens beboet maar dat vertel ik later. Usa (Buja) was een mooie kleine stad waar men alles kon vinden, restaurants, night-clubs, plages langs het meer, aéroclub, prachtige bergen langs het oosten en het leven was er zeer aangenaam. De Mwami Mwambutsa was een vriend aan huis en wij hebben zelfs de electrische Märklin trein geinstalleerd voor zijn jaren later vermoorde zoon Louis.

Maar ja, mijn vader veranderde niet en na een nieuwe hevige discussie met Marion besliste hij om weg te gaan en naar Stanleystad te rijden. Viviane en haar moeder bleven in Usumbura. Ik moest hem volgen en wij namen de weg naar Kigali waar wij overnachtten. s'Morgens moest ik naar de bakker, mijn vader gaf mij de sleutels van

de wagen, onderweg zag een commissaris mij rijden en hij deed mij stoppen. Jongeman, zei hij « je kan heel goed rijden maar je ziet er wel wat jong uit », papieren, pas en ja, hij zag wel dat ik 15 jaar was en zodus ik werd opgeschreven. Het was maar weken later dat vader de boete thuis kreeg, 500 frank (in 1956).

Onze pa was niet gelukkig maar kon niets zeggen want hij had mij naar de bakker gestuurd...

Na Kigali-Kisenyi-Goma kwamen wij in Rutshuru, de prachtige streek van de vulkanen tussen Goma en Rutshuru. Bij een vriend van mijn vader geslapen, een piloot die als beroep de velden besproeide met insectenverdelger, met een Piper hier speciaal voor ingericht, dat was Jacqui Gubin.

Na een goede nacht rust zijn wij verder gereden via Lubero, Beni, Mambassa, Nia-Nia, Bafwasende, Stanleystad waar mijn vader in het hotel Stanley kon beginnen. Ik heb daar dan ook gewoond in kamer drie en werd aan het atheneeum ingeschreven in tweede middelbaar (vijfde moderne van toen).

Stan heeft mijn hart veroverd, ik ben er zopas enkele dagen geweest en het was zeer emotioneel. Aan wat denk je dan allemaal... bijvoorbeeld aan de eerste sigaret dat ik in de zakken van mijn vader had gevonden, ik was dan gaan fietsen en maar trekken aan die stinkstok....ouh lala, wat ben ik misselijk geworden, wie heeft dat niet gekend ?

Na het Stanleyhotel waren er nog verschillende contracten voor mijn vader, waaronder de Pourquoi-Pas, langs de stroom dicht bij de kathedraal. Toen waren wij ook langs de stroom gaan wonen, een beetje verder Koningin Astridlaan, dicht bij het zwemdok. Ik ging daar dikwijls zwemmen maar ook soms in de Congostroom.

Stan, ik herhaal het, dat is het mooiste deel van mijn verblijf in Congo.

Het zwemdok is helemaal verkommerd, het doet pijn om dat te zien. Het kerkhof daar dichtbij is ook helemaal verwilderd.

Mijn vader heeft zelfs zijn eigen vliegtuig gehad in Stanleystad, ja mijn hart heeft het steeds over Stanleystad ipv Kisangani, ik kan er niets aan doen...

Het toestel was een Auster Aiglet, de OO-CER bijgenaamd «La Sorcière» in mede-eigendom met de heer Deneve van de garage aldaar, garage Deneve. Het toestel had een crash in de buurt van Opienge, in 1957, met aan het stuur de heer Jacques, commandant van het vliegveld van Simi-Simi toen. Navigatie probleem met een tekort aan benzine waren de oorzaak en dit was een verschrikkelijk drama voor mijn vader.

Het wrak werd aan Air Brousse verkocht en naar hen in Kinshasa verstuurd, volledig uiteengenomen en in een enorme kist verpakt, op een platbodemschip via de Congostroom.

Na herstel heeft het toestel nog jaren gevlogen voor Air Brousse en anderen maar na een volgende crash was het einde van het toestel nu definitief.

Het overschot van de 100 oktaan benzine werd in een vat overgeheveld en wij gebruikten deze brandstof voor onze eerste Volkswagen camionette, het is evident dat dit niet lang kon duren, het oktaangehalte was bijzonder ongeschikt voor dat voertuig en op een dag was het gedaan met de motor.

Spijtig want wij kochten deze camionette van de familie d'Ieteren (VW), zij waren heel de weg vanuit België naar Congo gereden, via Egypte, Soedan. Het was helemaal ingericht voor avonturiers zoals wij, ideaal gereedschap om te reizen in Congo.

Hier vertaal ik een brief van mijn vader naar zijn ouders over een vlucht met «La Sorcière» OO-CER, het betreft de terugvlucht van Léopoldstad naar Stanleystad na een grondige renovatie en herschildering bij Air Brousse, brief dat ik in Avianews liet verschijnen in april 1975 :

Ervaring van een Broussepiloot

Alles werd zorgvuldig voorbereid om vanuit Leopoldstad-N'Dolo op te stijgen maar niets aan te doen ! De hemel is dicht. De meest ongelooflijke mist verplicht mij geduld uit te oefenen tot de volgende morgen om dan te kunnen opstijgen met de toestemming van de metéo. Richting Stan via Coquilhatstad.

Hier ben ik dan in de lucht met mijn Auster Aiglet waar ik zojuist drie maanden heb op gewerkt. Hij is nieuw en schittert zoals een juweel. Mijn eerste stop is in Kwamouth waar ik enkele brieven en berichten aflever, gericht aan de Administratie. Kwamouth is een klein dorp dat door de enige blanke administrator bestuurd wordt. Deze « heerst » over een bevolking van een twee duizend inboorlingen. Na een «pot» vertrek ik onmiddelijk.

Het opstijgen is zwaar, waarschijnlijk te wijten aan de kleine piste van zowat 400 meters bovenop een heuvel. Het plafond is nog laag. Ik neem een koers naar Coquilhatstad waar ik in de voorziene tijd moet aankomen op gevaar af van heel het alarmsysteem in werking te stellen.

Stilaan wordt de metéo slechter en slechter...Ik geraak er toch door, met een lichte vertraging. Het onthaal in Coq is echt vriendelijk. Commandant Jacobs was ongerust over «La Sorcière» en dacht dat ik er niet ging doorgeraken...

De volgende dag weer slecht weer en ik mag niet vertrekken, ik blijf dus een nacht langer ter plaatse en het is het gedroomde moment om nader kennis te maken met de stad.

De dag daarop mag ik 's morgens toch vertrekken naar Basankusu vol hoop om mijn reis te kunnen volbrengen. Spijtig word ik weeral gevangen door slechte weersomstandigheden. Na een uur moet ik terugvliegen, onmogelijk om daardoor te geraken !

Om 13 uur stijg ik terug op en nu « moet » ik erdoor geraken want ik heb radioberichten verzonden naar Kikwit en Luluabourg (Kananga) om vrienden te verwittigen dat ik vandaag in Stan ga aankomen.

Ik kies de richting Basankusu, een klein dorp midden in de Centrale kuip van Congo. Basoko, Yangambi, Stan. Na een bocht om de vrienden van Coq nog even te begroeten neem ik de juiste koers, ik moet er door, wat er ook mocht gebeuren.

La Sorcière is zwaar geladen en ik heb de indruk dat de lucht niet draagt. Voor mij zie ik het meest indrukwekkend front CumuloNimbussen dat men zich kan inbeelden. Volle gas klim ik om te trachten deze te ontwijken. Nutteloos, op 4.000 meter geraak ik niet

over de geweldige wolken. Ik heb de indruk te dansen zoals een stop in het water, het toestel verbruikt heel veel want de motor blijft op volle kracht draaien.

Windstoten doen het toestel dansen, mijn hoogtemeter geraakt in paniek. Op enkele seconden zie ik verschillen van 300 m. Ik zie niets meer en heb de indruk dat het einde nadert. Het toestel duikt meer en meer, snelheid 235 km/u. Maar waar is de horizon ? Achter mij dansen de valiezen en de reserve fuel een gekke sarabande. Nu voel ik het, ik vlieg op de rug. Om de zeer hoge snelheid dat de vleugels kan afrukken te beperken verminder ik de throttle en ik kom uitendelijk in een vrille uit deze eigenaardige positie. Hoogte nauwelijks twee honderd meter... Onder invloed van het onweer draait mijn kompas nog zoals een tol. De zichtbaarheid was ongeveer 50 meter en ik richt mij naar de zon, op dat uur is het ongeveer de richting dat ik moet aanhouden.

Op 15 meter van de bomen duik ik naar de stroom, stijgen kan niet want ik ben 3.300 voet verloren in nauwelijks 50 seconden !!!

Ik zal zeker Lisala bereiken indien ik de loop van de stroom volg. Hoe meer ik mijn berekeningen nakijk hoe minder ik besef waar ik ben. De zon is ondergegaan, ik vlieg en richt mij op de schitteringen en volg de sporen die de tientallen eilandjes in de stroming laten.

Nu heb ik nog maar 20 minuten brandstof en het wordt nog donkerder. Teneinde nog een beetje de horizon te kunnen zien vlieg ik op een drietal meter van het water. Als mijn berekeningen fout zijn wordt dit een ramp, er is geen enkele plaats om te landen en zelfs als ik overleef, wie komt mij hier halen ? Nog 10 minuten brandstof...

Maar, daar, de lichten van Lisala, ik herken het dorp, even hoofdrekenen doet mij beseffen dat het klopt, nog 5 minuten benzine... Ineens zie ik een lange gele strook. Lisala, inderdaad, mensen wachten op mij. Zij hebben olielampen aangestoken om het terrein af te bakenen. Ik verminder de motor en begin aan de finale.

Ik weet dat de nadering moeilijk is en hou de lichten extra in het oog, enige merkpunten van het horizontale vlak. Ik vlieg vlak boven het hoofd van enkele kerels naast de lampen. Afronden en ik maak de mooiste landing van mijn leven (waarschijnlijk was het door de

emotie).

Op het einde van de piste pinken de lichten van twee wagens. Waarschijnlijk nemen zij mijn Auster voor een Jet want ik draai reeds na 80 meter naar de parking waar de oude kleine vliegveld- Commandant mij opwacht. Hij ziet er uit zoals een missionaris deze brave man met zijn baard. Maar deze keer denk ik niet dat hij mij met de woorden van Onze Lieve Heer gaat ontvangen...

Einde van dit relaas van mijn vader.

Soms mocht ik tijdens een verlof naar het noorden van de provincie gaan, in de Uélé streek, dicht bij Ango en Titule in de koffieplantage van de familie De Milde die goed bevriend was met mijn vader. Dit was steeds heel aangenaam want wij waren daar met verschillende jongeren van dezelfde leeftijd en wij kwamen goed overeen en vonden steeds iets te doen. Het is bij Demilde dat ik leerde een Mercedes vrachtwagen te besturen.

Ik ben nog steeds in contact met één van de zonen, Marc, die nu in Spanje woont.

Tijdens mijn verlof maakten wij kennis met een dokter die voor de firma Roussel uit Frankrijk werkte, hij reed door heel Congo om medicijnen voor te stellen aan apothekers. Hij had iemand nodig voor een drietal weken om met zijn VW camionette te rijden.

Hij wist goed dat ik maar 15 jaar was maar daar mijn vader akkoord was vertrok ik achter het stuur voor een trip van Stan naar het noordoosten, Aba aan de Soedanese grens en dan naar het zuiden, Beni, Lubero en verder tot in Usumbura. Prachtige hoge bergen gezien met sneeuw aan de top, ook Pygmeen tussen Beni en Lubero en ook hun jachtmethodes mogen aanschouwen.

Dit avontuur deed mij des te meer genoegen daar ik in Usumbura mijn kleine zuster zou kunnen zien.

Spijtig genoeg mocht het niet van haar moeder Marion want, vertelde zij mij vele jaren later, zij was bedreigd geweest door mijn vader en mocht mij absoluut niet ontvangen. Zij had teveel schrik, zei ze.

Er zat niets anders op en ik moest dezelfde dag terug naar huis

vertrekken.

Zoals ik het gepland had ben ik naar Stan teruggereden in...autostop. Een trip van meer dan 1.200 km in drie dagen met autos en vele vrachtwagens.

Ik ben altijd meegenomen geweest en ook de Congolese chauffeurs waren heel vriendelijk.

Op een late avond had ik voorlopig geen lift en tijdens het wachten viel ik in slaap, zittend op mijn valies. Toevallig kwam daar een commissaris voorbij die mij opmerkte en, ongerust, nam hij mij mee naar zijn post. Daar, na mijn uitleg gehoord te hebben, stomverbaasd, dat had hij nog nooit meegemaakt, belde hij naar mijn vader in Stan die mijn verhaal bevestigde. De brave man liet mij gaan, nog steeds verbouwereerd.

Het laatste deel in autostop was ook prachtig, de laatste wagen dat mij meenam was die van de goeverneur van de Provincie, ik mocht naast hem zitten en hij zette mij voor ons huis af in Stan. Nog een dikke dank-u mijnheer de goeverneur Schoeller !

Mijn laatste jaar op het atheneeum was een dikke flop en gezien de omstandigheden wordt er beslist dat ik stop met studeren en met mijn vader muziek ga spelen. Zo gezegd zo gedaan en het heeft goed gewerkt, voorlopig, maar daar kom ik nog op terug later.

Mijn vader heeft menig romantisch avontuur gehad, vroeger en later maar dit zou te veel vergen, des te meer dat ze allemaal faliekant afgelopen zijn.

Kan u zich inbeelden hoeveel moeders ik gehad heb ? Ik ga niemand noemen maar ken ze nog, allemaal...indien zij nog in leven zijn hebben zij een meer dan respectabele leeftijd bereikt.

In België heb ik niemand van hen teruggevonden.

Ik vraag mij af of Barbara nog leeft...zij heeft het aangedurfd, toen mijn vader nog eens «moeilijk» deed, om een metalen assenpot op voet op zijn hoofd te slingeren, een assenpot voor sigaretten gemaakt van een piston van een automotor, zeker zwaar genoeg. De gevolgen waren logisch, hevig bloedend moest hij onmiddelijk verzorgd worden en was hij ook meteen gekalmeerd. Het gevolg was natuurlijk dat de liefde daar ook uit was. De volgende zal er wel snel zijn, dacht

ik. Ik kan verzekeren dat ik heel wat ruzies meegemaakt heb, gevechten en zelfs revolvers enz.

Nieuwe problemen in het verschiet, op een dag kwam er een deurwaarder in hotel Pourquoi-Pas vragen naar mijn vader. Men antwoordde hem dat hij er niet was maar dat hij rond 16 u ging terug zijn en de deurwaarder zei dat hij ging terugkomen.

Vader werd verwittigd en hij vroeg mij om onmiddelijk al ons gerief in te pakken, zo snel mogelijk en dan met onze nieuwe VW camionette de stroom over te steken met de veerboot (ik was 16 j toen) en op hem te wachten aan de overkant (rive gauche) aan een café hotel.

Hij is wat later met een prauw overgestoken, teneinde zich niet te laten opmerken en wij zijn dan stilletjes naar Luluabourg (Kananga) vertrokken waar wij na enkele problemen onderweg toch aankwamen, twee dagen later.

Wij zijn bijna verdronken onderweg, in de Lomami. Vader reed, het was avond en donker en ik sliep achterin toen ik ineens een kreet hoorde en voelde dat er geremd werd. Wij zijn gestopt met de voorwielen in het water van deze rivier dat na de vele regens heel hoog stond. Hij moet in slaap gevallen zijn of was heel hard vermoeid en had niet gezien dat het een oprit was om een veerbootje te nemen. De veerboot stond aan de overkant, zodus... De bewoners hielpen ons nadien om de VW terug achteruit te duwen. Enkele pakken sigaretten uitgedeeld en zij waren allemaal gelukkig.

In Luluabourg -, wij zijn nu in 1958 -, hadden wij een contract bij de familie Mavrakis de eigenaars van het hotel restaurant night-club «Oasis».

De familie Mavrakis is goed bevriend geworden met onze familie en één van de dochters, Phyllis, leeft nog steeds op Rhodos, ik ben er regelmatig mee in verbinding, leve het internet.

Behalve muziek was ik het die de cinemaprojector bediende en alle films, ook kinderen niet toegelaten, moest projecteren, het was vrij technisch en het interesseerde mij geweldig.

Vader hield zich ook bezig met de speeltuin en het is hij die de vele spelen zelf gebouwd heeft met de hulp van lokale arbeiders, een afrits,

een draaimolen enz. Plannen had hij zeker genoeg.

De keuken van de Oasis werd beheerd door 'Monsieur William', later nam hij de Bugoyi in Kisenyi (Ruanda) over. Naar het schijnt woont hij ook in Spanje nu.

Kisenyi, naast Goma (Congo) was prachtig en er was een heel mooie plage aan de boorden van het Kivu meer. Daar heb ik de zwaarste zonneslag van mijn leven gehad na een volle dag in de zon. Dat was samen met Paul Pecriaux, de latere drummer van de 'Cousins'. Onnodig te vertellen dat mijn vader ons 's avonds van het orkest weggestuurd heeft, wij konden gewoon niet meer spelen en waren toch zo ziek, ziek...

Maar, laat ons in Luluabourg blijven ; soms gingen wij enkele dagen op 'toernée' met heel het orkest om wat in het binnenland te spelen, Marc Pauwels aan de guitaar, ik aan de drums, Saïda Hayez-Fievez de vriendin van mijn vader van het ogenblik aan de contrabas en vader aan de piano.

Ik had mijn rijbewijs behaald na een examen theorie en praktijk en mocht dus openlijk autorijden.

Op een nacht in Mwene-Ditu had vader weeral wat te veel gedronken en hij begon Saïda uit te maken voor alles wat slecht is, ze speelde slecht enz.

Onze guitarist wou er niet tussenkomen maar ik was echt gerevolteerd en ik zei hem dat hij te ver ging...

Tja, ik had dat beter niet gedaan want hij stuurde mij meteen van het orkest naar mijn kamer en, wanneer de avond afgelopen was kwam hij in de kamer en kreeg ik twee blauwe ogen, gratis en voor niets. Onvergeeflijk en het was voor mij de druppel te veel en ik ben gewoon weggegaan.

Onze guitarist Marc Pauwels was ook eigenaar van een phonoplaten winkel in Luluabourg en hij vroeg mij of ik voor hem Congo wou rondrijden met een achttal metalen koffers vol met phonoplaten om overal in de hotels van het binnenland die platen te verkopen.

Ik heb dit natuurlijk aanvaard want ik wou van mijn vader weg, zo ver mogelijk en zelf mijn plan trekken.

Na de nodige administratie was ik achter het stuur van wat 'mijn'

camionette zou worden en met een formidabel avontuur in het verschiet.

Jaren later begon ik wel te beseffen dat het misschien een 'list' was van mijn vader en dat hij hoopte dat ik het spoedig moe zou zijn doch niets was minder waar. Ik wou mijn verantwoordelijkheid nemen, nog maar 17 jaar en zou mijn plan verder trekken tot mijn 19. Meerderjarig werd men toen maar op 21 j.

Vanuit de thuisbasis Luluabourg (Kananga) moest ik reizen naar Léopoldstad, Matadi, Boma, Tshela.

Naar het noorden Lodja en naar het oosten Lusambo, Kindu. Voor het zuiden Kamina en dan naar boven Albertville (Kalemie) Usumbura in Burundi, Goma en dan Kisenyi in Ruanda.

Ik had een audio installatie boven op de camionette wat mij toeliet om na aankomst in een dorp of stad een beetje publiciteit te voeren voor mijn platententoonstelling 's avonds in een of ander hotel, op ping- pong tafels en biljarten in het algemeen.

Ook wanneer ik 's nachts reed kwam die installatie van pas als ik aan een overzetboot kwam en deze vaarde niet, door het late uur.

Geen probleem, audio aan, veel volume en Congolese muziek draaien via mijn Geloso bandopnemerke en na enkele minuten kwam de bemanning al aan, al dansend... fantastisch was dit. Zij vaarden mij over en ik gaf sigaretten bij de vleet. Nooit geld en toch waren zij zo dankbaar. Nooit had ik grote problemen, kleine wel maar dat is Congo, nu ook en je moet dat maar aanvaarden. Ik zou nu niet meer durven wat ik vroeger deed maar de tijden zijn ook heel hard veranderd, het is er onveiliger en de wegen zijn niet meer onderhouden, op enkele uitzonderingen na. De miserie is er zo groot dat alles goed is om iets te verdienen, centjes of andermans goed.

Toen ik dit jaar terugkeerde heb ik deze miserie gezien en kreeg er de tranen van in de ogen. Wat een volk, en toch, zelfs met al hun ellende zie je ze nog lachen. Ik hou van de Congolezen.

Kort verhaaltje van op de baan ;

Ik was één ofwel de eerste om gebruik te maken van de nieuwe weg Masi-Manimba Kenge Léopoldstad zonder te moeten omrijden via

Popocabaca en Thijsville. Het is de weg dat vlak naast het toen nieuw vliegveld van N'Jili passeert. Het oud vliegveld was dat van N'Dolo dat nu militair geworden is.

Onderweg moest ik de Kwango rivier oversteken maar ik stond ineens voor een bareel en mocht de brug niet op. De 'zamu' (wacht) zei dat ik niet verder mocht want er was voor honderden kilometers niets te zien, geen benzine, enkel het woud.

Daar ik toch een vat reserve benzine bijhad, genoeg eten en bananen aan boord, begon ik aan te dringen en een opbod te doen van pakjes sigaretten, het lukte bijna maar ik moest er toen toch, dit voor de eerste keer, 100 frank bijdoen en het bareel ging open.

Wat een besparing, anders had ik honderden kilometers meer moeten omrijden. Alles kan geregeld worden met 'matabiches' (fooien), tegenwoordig is het nog erger geworden.

Na die avontuur heb ik het goedgemaakt met vader en ben naar hem gegaan met de trein en dan een schip op het Tanganyika meer, naar Bukavu in het Metropole hotel, nadien Usumbura in de club Tanganyika bij de familie Kartsonis.

Het is daar dat ik mijn eerste briefkes kreeg op het orkest om een of meer 'galante' afspraakjes te regelen... eentje was van een zekere Betty De C.

Ik moet vader terug verlaten, zelfde redenen, drank maar nu werden ik en mijn kamaraad drummer Paul Pecriaux bedreigd met een... revolver !

Wij zijn naar Bukavu gegaan en gingen bij Jean-Noël Pascal werken, een Franse kineast die publicitaire filmpjes draaide maar ook muziek speelde in enkele hotels. Wij vormden een trio, piano, drums en contrabas. Wij zijn nu in 1959.

Op het einde van dat contract moest ik wel mijn kost verder verdienen en ik werd aangenomen om met een Frans orkest te spelen, dat van René Peretti en Lily Bertrand in het hotel Paguidas van Usumbura. Een zeer aangename periode voor mij, ik heb er veel bijgeleerd inzake muziek want René was niet van de simpelsten, gelukkig nam Lily mij steeds in bescherming. Wat goede mensen zijn dat geweest, zij kenden mijn toestand en hebben mij knap geholpen, ik ben ze nog steeds

dankbaar.

De situatie wordt slechter en slechter in Congo, ik luister dagelijks naar de korte golf. De sterkste zenders zijn Radio Peking en Radio Moskou, in lingala en in swahili alsook in het frans. The Voice of Amerika is er ook bij maar neemt nooit standpunten in tegen de Belgen.

Ik wil hier getuigen dat het voornamelijk de Chinezen zijn, bijgestaan door de Russen, die de Belgen het meeste onrecht hebben aangedaan door dagelijks te hameren dat de Congolezen de Belgen het land moesten uitzetten en hun onafhankelijkheid (Uhuru, Dipenda...men hoorde niets anders meer op de communistische zenders) moesten opeisen. .

Raar hé, wie heeft er nu de grootste contracten in Congo ? Wegenbouw, grote hotels enz... Juist ja, voornamelijk de Chinezen. Russische vliegtuigen zie je nu ook veel.

In Stan en in heel het land trouwens, zie je niets anders dan goedkope Chinese motos aan 600 dollars het stuk ongeveer, toeval ? De prijs is vele malen lager dan hier in Europa.

Nochtans zien de Congolezen de Chinezen niet graag, ik heb het kunnen zien en horen in Stan en in het binnenland.

In 1960 is mijn vader in Stanleystad en ik ga er naartoe, nog eens gaan jullie denken... ja, maar het komt door de slecht wordende toestand aldaar. Hij houdt daar de bar restaurant van de zoo aan de Tshopo open en hij denkt al aan een terugkeer naar België. Hij vroeg mij heel lief om hem daar te komen helpen en onze ruzies te vergeten. Hij betaalde zelfs mijn reis Usumbura-Stan met de Convair van Sabena.

In Stan aangekomen merk ik gauw dat het slechter gaat, minder blanken, het is april en op 30 juni wordt het land onafhankelijk. Weinig klanten want de zaken gaan slechter. Ik onderhoud de zeven grote aquariums want er is geen zoo-personeel meer om het te doen, die bakken zijn zo groot dat ik erin moet kruipen om de ramen te reinigen...

Uiteindelijk geen eten meer voor die arme vissen en zij begonnen

elkaar op te beuzelen. Verloren moeite dus om daaraan verder te werken.

Na 30 juni en de onafhankelijkheid begonnen de soldaten vrijpostiger te worden, zij kwamen gewapend naar ons en eisten bier, eerst nog beleefd maar nadien dreigender. Toen er geen bier meer te krijgen was bedreigden zij ons nog meer en 'als er morgen geen bier (gratis) is gaan jullie wat meemaken'...

De nacht van 12 juli 60 zijn wij gevlucht naar het toenmalig vliegveld Simi-Simi en de Sabena Guest-House, zie het begin van dit verhaal.

Vader is in 76 in Spanje overleden na een aanrijding en is in Alfaz de Pi begraven.

Mijn zuster Viviane die ik jaarlijks zie, leeft en werkt in Gouves, op Kreta, dicht bij Heraklion.

Haar moeder Marion is in Griekenland overleden. Zij had Victor Zaccas getrouwd, de baas van de Grand Hotel in Usumbura. Victor is ook overleden.

Mijn moeder is overleden en in Surrey (GB) begraven.

De broer van mijn moeder Paul Vanhecke woont in Ronse, hij is de enige familie dat mij in opgaande lijn rest. Hij is de peter van mijn dochter maar blijkt dat niet meer te weten.

De broer van mijn vader Fernand Beguin is ook overleden, alsook zijn echtgenote Sonia Koubekov en daar zij in Florida woonden zijn zij ginder ook begraven.

De familie is inderdaad heel verspreid.

Het is mijn echtgenote Monique Vachaudez die mij kon overtuigen om terug naar Congo te reizen. Ik sprak er reeds zo lang over en mijn eigen familie heeft nooit veel belangstelling getoond, de 'anciens' van Congo kennen dat wel, 'je vertelt van alles, je overdrijft, je zegt steeds hetzelfde, dat kan niet' enz enz.

Ik ben nu 70 j en wou Stan, Léo, de regio Usa, Kivu, Goma, Bukavu terugzien als ik nog gezond genoeg was om dit aan te kunnen.

Ik had een artikel gelezen op Internet over zulk een reis en heb de

schrijver ervan gemaild en...de reis besteld.

Wij waren met zes, de organisator Steve (René) Stevens, verder Freddy en Mich, van Antwerpen en Philippe en Brigitte, Belgen maar zij wonen in Los Angeles.

De jaren hebben mij ook het relativeren geleerd, jong begreep ik mijn vader niet altijd maar jaar na jaar leerde ik hem toch te respecteren ondanks al wat gebeurde.

Het is mijn vader die mij de smaak van het avontuur doorgaf, de middelen om mijn plan te trekken in het leven en een opvoeding gaf die mij toch in staat stelde om in verschillende milieus te kunnen vertoeven.

Luchtvaart ook, dank aan mijn vader. Ik moest het vliegen later laten voor wat het was daar ik thuis niet gesteund werd om verder te gaan, mijn vrouw was er tegen en om een scheiding te vermijden zoals mijn vader meermaals gedaan had ben ik er mee gestopt. Spijtig want nu kon ik herbeginnen maar omdat ik vele jaren niet meer gevlogen heb moet ik 'alle' examens, théorie en praktijk herdoen. Weeral 45 uur solo vliegen om terug met passagiers te mogen vliegen... nee, het is te veel en te kostelijk, ik ben met pensioen.

Na de luchtvaart heb ik, om te relaxen (ik heb steeds een beetje stress nodig) ben ik rechter geworden op de jumping wedstrijden (paarden). Het heeft mij enkele jaren gekost om hogerop te klimmen maar was er geraakt, tot kandidaat internationaal rechter. Ik heb aan vele wedstrijden deelgenomen als rechter maar, zoals de luchtvaart, ik was dikwijls weg, soms drie dagen en ik voelde wel aan dat het te veel was voor thuis en op een dag heb ik dat ook laten vallen, ineens.

Het leven is zo en ik heb alles aanvaard, misschien had ik dat beter niet gedaan, wie weet wat het best is ?

-----------------------------------------------